Twee dagen als symbool van onze bedeling
- De twee dagen van Hosea 6:2
- De twee dagen van Esther 4:16, 5:1
- De twee dagen (schellingen) van de
Samaritaan (Lukas 10:35)
- De twee dagen in Joh. 1:29-44)
- De twee dagen in Samaria (Joh. 4:40)
- De twee dagen waarin Lazarus stierf
(Joh. 11:6)
- De twee dagen van Christus in het
graf (Math. 16:21)
Laat ons deze zeven schriftplaatsen van twee dagen nader
bezien.
1) De drie dagen van Hosea. We lezen: "Komt,
laat ons wederkeren tot den Here! Want Hij heeft ons verscheurd en zal ons
helen; Hij heeft geslagen en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen
herleven, en ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor
zijn aangezicht. "(Hosea 6:1,2) We
zagen, dat er van Adam tot Christus 4000 jaar verliepen, en dat het toekomstig
duizendjarig rijk voor deze schepping een sabbath van vrede en rust zal zijn,
zodat het een zevende "dag" of periode kan zijn, en er dus voor onze
periode een tijdsbestek van 2000 jaar overblijft. We worden versterkt in de
gedachte dat het duizendjarig rijk een
zevende periode zal zijn door het loofhuttenfeest, dat duidelijk de zegen van
de aarde uitbeeldde en dat het zevende en laatste feest in de serie van hoogtijden
voor Israël was. Er is ook een achtste dag in Gods Woord en daarmede wordt
doorgaans de eeuwige staat uitgebeeld. De schriftplaats: "Hij zal ons NA
twee dagen doen herleven, en ten derden dage
zal hij ons oprichten", is wel zeer treffend en het gaat hier duidelijk om
de nationale wederopstanding van Israël zoals we die overduidelijk vinden in
Ezechiël 37. De apostel Paulus accentueert, dat de verstrooiing van Israël
samenvalt met de periode van de gemeente uit de volken: "En indien hun val
de rijkdom der wereld is, en hun vermindering de rijkdom der volken, hoeveel te
meer hun volheid... Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat
zal de aanneming anders zijn dan het leven uit de doden?" (Rom. 11:12,15)
Over deze nationale opstanding "ten derden dage" lezen we in Ezech.
37: "Zo spreekt de Here, Here tot deze beenderen: Zie ik breng geest in u
en gij zult herleven;... en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en
zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen, zoals zij bij elkander
behoorden, ik zag toe en zie, er kwamen spieren op, en vlees en er trok een
huid overheen; maar geest was er nog niet in hen." (Ezech. 37:6-8) Vrijwel
allen, die de profetie ernstig bestuderen hebben de Zionistische beweging
gezien als die waardoor de dorre beenderen tot elkaar kwamen, en een staat
vormden in hun beloofde land. Er is geen geest in hen, omdat ze nog niet tot
Christus bekeerd zijn. (lees ook Ezech. 37:11-14) Toch hebben de profetieën
zoals Jesaja een grote rol gespeeld bij de vestiging en instandhouding van de
staat Israël, maar pas na de grote verdrukking zullen ze zien op Hem dien zij
doorstoken hebben, en hun herstel zal zijn als een opstanding uit de doden, en
dit: TEN DERDEN DAGE. (Zach. 12:10)
2) De twee dagen van Esther. Zij die het Joodse volk in zijn verstrooing
kennen, weten, dat het Purimfeest steeds getrouw wordt gevierd. Het boek
Esther, waarin de naam van God niet voorkomt, geeft een beeld van de verborgen
bemoeiingen van God met zijn volk, dat nu LO-AMMI is en verstrooid. Dit
Purimfeest wordt twee dagen lang gevierd, als herinnering aan twee dagen van
doodsgevaar voor alle Joden, waaruit ze ten derden dage door genade werden
gered. Nadat ze twee dagen noch gegeten noch gedronken hadden strekte de koning
zijn gouden scepter van genade uit naar Esther. (Verg. Esther 4:16 en 5:1,2)
Op dezelfde wijze, waarop God toen de Joden van totale
vernietiging bewaarde ondanks de doodsklok die over hen luidde, zo heeft God nu
bijna tweeduizend jaar het volk bewaard van totale vernietiging door zijn
doodsvijanden. Nog heden hebben machtige volken met millioenenlegers zich
gezworen dit volk van de aardbodem te vagen, en inderdaad werden vele
millioenen Joden door Nazi-Duitsland wreed vermoord, maar er waren altijd
overlevenden die Israëls opzienbarende geschiedenis voortzetten. Joden hebben
de eeuwen door sleutelposities bekleed in de wereld van politiek, bedrijfsleven
en kunst.
Het Purimfeest viert deze overleving van hun doodvonnis
op de veertiende en vijftiende dag van de maand Adar. De twee dagen van Esther,
met de derde dag van genade en herstel spreken symbolisch van de 2000-jarige
verstrooiing en van hun nationaal herleven, en dit door de genade van onze Heer
Jezus, de Koning der Joden.
3) De twee schellingen van de Samaritaan. De
barmhartige Samaritaan in Lukas 10 is een beeld van de Heer Jezus. Noch
priesters, noch schriftgeleerden hebben hulp kunnen bieden aan het slachtoffer
van roof, maar de Samaritaan werd met innerlijke ontferming bewogen en nadat
hij zijn wonden had verbonden en de pijn gestild had met olie en wijn, nam hij
hem mee naar de herberg en vertrouwde hem toe aan de zorgen van de waard, een
beeld van de gaven van Gods Geest in onze christelijke periode. Hijzelf had
geen tijd om in de herberg te blijven, maar gaat verder. Zo is de Heer Jezus,
na Zijn leven gegeven te hebben om onze wonden te helen, ten hemel gevaren en
vertrouwde de gelovigen toe aan de zorgen van Gods Geest, aan apostelen,
herders en leraars, die bij Zijn wederkomst
hun volle loon zullen ontvangen. Een schelling is in de Schrift het loon voor
één dag werk, en in het feit dat de Samaritaan twee schellingen aan de waard
gaf ligt een belofte dat hij ongeveer na twee dagen zou terugkomen. Duizend
jaar zijn hier als een dag (S. Prod'hom Evang. van Lukas) zodat vele gelovigen
hierin een bewijs te meer zien, dat de christelijke periode een tijdsduur van
tweeduizend jaar zal hebben. De derde dag is de dag van onze opstanding of
opname volgens 1 Cor. 15:51 en 1 Thes. 4:15,16 dan zal Jezus wederkomen en
zullen we altijd met de Heer zijn.
4) De twee dagen in Johannes 1. Deze twee dagen
worden gevolgd door de bruiloft van Kana, ten derden dage, een duidelijk beeld
van de vreugde in het Koninkrijk van Christus. "Des anderen daags zag hij
Jezus tot zich komen, en zeide: zie het Lam Gods dat de zonde der wereld
wegneemt." (Joh. 1:29) Als we dit belangrijke hoofdstuk nauwlettend lezen,
bemerken we dat het hier in totaal om twee dagen gaat, waarna de bruiloft te
Kana als derde dag volgt. Deze twee dagen beschrijven symbolisch wat er op
aarde zou gebeuren van het ogenblik dat Johannes de Doper de Heer Jezus zag
verschijnen tot de vestiging van Zijn Koninkrijk. De verzen 29-31 stellen de
dienst van de Heer op aarde voor het tweede deel van dezelfde dag stelt het
getuigenis voor als de Heer in de hemel is en de Gemeente op aarde gevormd
wordt De eerste dag. Deze volgt op de dag waarop Johannes de Doper het
spoedige verschijnen van de Messias aankondigde (Joh. 1:19-28) "Des
anderen daags" verschijnt de Heer Jezus inderdaad, en Johannes zegt:
"Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." De lengte van
deze dagen is niet evenredig met hun profetische lengte, want die der Gemeente
is bijna 2000 jaar en die van het Joodse overblijfsel (de tweede dag) is
ongeveer 7 jaar, maar op deze twee dagen volgt de feestvreugde van de derde
dag, een wedergeboorte na tweeduizend jaar geestelijke en nationale dood voor
Israël.
We hebben dus in de verzen 29-47 het eerste deel van de
eerste dag, en deze schetst de rondwandeling van de Heer Jezus op aarde met als
hoogtepunt zijn verzoeningswerk op het kruis als het Lam Gods. De uitdrukking
"die de zonde der wereld wegneemt" is niet begrensd tot de afwassing
van de zonden der gelovigen, maar omvat ook de verzoening van alle dingen in de
schepping met God. Deze verzoening, beschreven in Col. 1:20 zal haar uitwerking
hebben, zowel in het duizendjarig rijk als voor de nieuwe hemel en de nieuwe
aarde waarin gerechtigheid zal wonen. In deze eeuwige staat zal zonde niet meer
werken, omdat alles wat in opstand tegen God is geweest, dan terzijde gesteld
zal zijn door het oordeel en eeuwige straf zal onder gaan. In de Openbaring
vinden we de Heer telkens weer als Het Lam. Door te zeggen: "Na mij komt
een man, die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik", legt Johannes de
Doper de nadruk op de goddelijke en eeuwige heerlijkheid van Zoon van God, op
aarde gekomen, om door Zijn offer de zonde te niet te doen.
b) We hebben in de verzen 35-40 het tweede deel van de
eerste dag. "Des anderen daags wederom stond Johannes en twee van zijn
discipelen. En ziende op Jezus, die daar wandelde, zeide hij: Zie het Lam Gods!
En de twee discipelen hoorden hem dit zeggen en volgden Jezus... Zij zeiden...
Meester, waar hebt gij Uw verblijf... Zij dan kwamen en zagen waar Hij zijn
verblijf had, en zij bleven dien dag met hem (v. 35-40).
Twee belangrijke aspecten van de Christelijke bedeling
worden hier aangeduid:
Het volgen van Jezus door persoonlijke gehechtheid aan
Hem.
Het wonen met Jezus: gelovigen vergaderd in Zijn
tegenwoordigheid.
Onze geliefde Heiland, die ons liefhad tot den dood,
wordt hier het voorwerp van onze genegenheid, hoewel Hijzelf afwezig is.
"Jezus Christus, dien gij, hoewel gij hem niet gezien hebt,
liefhebt." (1 Petr. 1:8) Dit verwekt het verlangen, met Hem te verblijven.
Persoonlijk volgen we Hem, en de Gemeente werd gevormd als de plaats waar de
Heer Jezus tegenwoordig is temidden van de in Zijn Naam vergaderde gelovigen.
Afgezonderd van een Gods vijandige wereld heeft de ware gemeente haar
geschiedenis op aarde bijna volbracht. Deze geschiedenis vinden we in de
brieven aan de zeven gemeenten in Azië (Openb. 2,3).
c) De tweede dag. Als de Gemeente van dit aardse
toneel zal verdwenen zijn knoopt de Heer Jezus weer betrekking aan met Joden
die eerst ongelovig naar hun beloofde land teruggekeerd zijn, maar van wie dan
duidenden in Hem als Zoon van God en Messias van Israël zullen geloven. De
ontmoeting van de Heer met Filippus en Nathanaël geeft daar een symbolisch
beeld van. "Des anderen daags wilde hij heengaan naar Gallilea en Jezus
vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij! Filippus vond Nathanaël en zeide tot
hem: Wij hebben dien gevonden, van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de
profeten, Jezus, den Zoon van Jozef van Nazareth." Als antwoord op hun
geloof geeft de Heer Jezus een treffende karakterschets van dit overblijfsel
waarvan we in Openb. 14:4 lezen: "Dezen zijn het, die het Lam volgen waar
het ook heengaat, dezen zijn uit de mensen gekocht tot eerstelingen Gode en het
Lam, en in hun mond is geen bedrog gevonden, zijn onberispelijk." Hier in
Joh. 1:48 vinden: "Jezus zag Nathanaël tot zich komen en zeide van hem:
Zie waarlijk een Israëliet in wien geen bedrog is: Jezus had in de Geest
Nathanaël onder de vijgeboom gezien, de boom die het beeld is van het herstel
van Israël. Nadat Nathanaël zijn geloof in de Heer Jezus als Zoon van God en
als Koning van Israël had beleden, voorspelde de Heer hem, dat hij de glorie
van het Koninkrijk zou aanschouwen. "Gij zult groter dingen zien dan deze.
En hij zeide tot hem: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: "Gij zult van nu
aan de hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de
Zoon des Mensen." (Joh. 1:52) Vanuit het hemelse Jeruzalem wier poorten de
namen zullen dragen van de 12 stammen van Israël, zal het beheer van de aarde
door de Zoon des Mensen via engelen geschieden. Want alle macht in hemel en
aarde zal dan openlijk en officieel door de Heer Jezus als Zoon des Mensen
uitgeoefend worden.
d) De derde dag. Zoals Hosea aankondigde, dat op de derde dag Israël hersteld en gezegend
door Gods heerlijkheid zou bestraald worden, zo zien we hier op de derde dag de
wijn van vreugde geschonken door de Heer Jezus aan Zijn geliefde volk. Het
ontbrak hun eerst aan wijn, maar de Heer Jezus is daar, en Hij bereidt hun de
betere wijn. Zijn moeder was daar ook, en zij stelt Israël voor, uit wie
Christus geboren werd naar het vlees. Het is treffend dat hier water in wijn
wordt veranderd. De zes stenen watervaten die tot de rand toe met water gevuld
moesten worden, stellen het verharde wettische volk van Israël voor, maar het
water van een diep berouw over de kruisiging van de Heer zal eindelijk deze
stenen vaten tot overlopen vullen, en dit water der bekering zal in wijn van
vreugde, veranderd worden. De bron van vreugde is Jezus zelf van wie geschreven
staat: "de Here uw God is in uw midden, een held die verlost. Hij zal zich
over U met vreugde verblijden: Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal over U
juichen met gejubel." (Zefanja 3:17).
De hofmeester begreep niet waarom de laatste wijn beter
was dan de eerste. De eerste wijn stelt de genoegens van de natuurlijke mens
voor, zoals jeugd, gezondheid, rijkdom, familie gezelligheid, maar helaas heeft
dat alles de bittere bijsmaak der zonde. Er is een vreugde in Jezus die nooit
bedorven wordt.
5) De twee dagen in Samaria. (Joh. 4:40,43) Hoewel
deze twee dagen niet direct de dood voorstellen en dus niet door een derde van
opstanding gevolgd worden is het nuttig te bedenken dat de Samaritanen door
Israël veracht werden. Zo waren ook wij uit door Israël verachte natiën, zonder
God en zonder hoop in deze wereld, dood in zonden en misdaden, maar gered door
Gods barmhartige liefde. En daar is dit 4de hoofdstuk van Johannes vol van. De
hoogste waarheid omtrent de huidige aanbidding van God als Vader in Geest en
waarheid kenmerkend voor deze bedeling, werd hier toevertrouwd aan een zondares
uit een door Israël geminacht en geschuwd volk. De Samaritanen waren zo
verheugd dat ze twee dagen met Jezus wilden zijn. Deze twee dagen zijn een
beeld van onze wondere genadetijd, waarin God verheerlijkt wordt door geredde
zondaars uit de volken, nu reeds bijna tweeduizend jaar.
6) De twee dagen waarin Lazarus van ziek tot dood
werd. (Joh. 11:6) De twee dagen waarin de Heer Jezus, in plaats van zijn
geliefde vriend te hulp te snellen, aan de andere zijde van de Jordaan bleef,
werden het voorwerp van pijnlijke verwondering voor velen. Jesaja stelt Israël
voor als ziek zijnde van hoofd tot voeten. Maar om nieuw leven te geven, moet
men eerst de dood gesmaakt hebben. De nadruk valt hier op het zo lang
uitblijven van machtige hulp voor ziek en stervend Israël. Na vier dagen stonk
Lazarus. Zo hadden de Oud-Testamentische profeten geroepen: "Hoe lang moet
het land kwijnen?" (Jer. 12:4) "Hoe lang toeft het einde dezer
wonderen?" (Dan. 12:6) "Hoe lang nog zal hun reiniging onmogelijk
zijn?" (Hosea 8:5)" Hoe lang nog zult Gij zonder erbarmen zijn over
Jeruzalem?" (Zach. 1:12) Het is inderdaad bijna onbegrijpelijk voor
mensen, dat God nu bijna tweeduizend jaar toeft, voordat Hij ingrijpt in
Israëls lijdensgeschiedenis. Maar het kruis leert ons dat de oude mens en dus
Israël naar het vlees ter dood veroordeeld is, en dat niemand het heil kan
zien, zonder dit doodvonnis over de mens in Adam te aanvaarden. Er moet een
eind komen aan Israëls wettische hoogmoed, en de grote verdrukking zal dat voor
een gelovig overblijfsel bewerken. Israël's herstel moet, opdat Gods
heerlijkheid strale, een opstanding uit de doden zijn, en daarom toeft de Heer,
tot opstanding uit de doden voor Israël het enige is.
7) Het sterven van de Heer Jezus en Zijn opstanding
ten derden dage. "Van toen af begon Jezus aan zijn discipelen te
tonen, dat Hij moest... gedood worden en ten derden dage worden opgewekt."
(1 Cor. 15:3,4) Het is opvallend, dat Mattheus, die voor Israël schreef, zo de
nadruk legde op de opstanding ten derden dage. Op onze Vrijdag werd Jezus
gekruisigd, verbleef de sabbat in het graf en stond op de morgen van de derde
dag. Wanneer we denken aan Hosea 6:1,2, dan valt ons de overeenkomst op. De
geestelijke en nationale dood van Israël duurt nu al bijna tweeduizend jaar, en
Hosea voorspelt, dat na twee dagen Israël weer, zoals in Ezechiël staat uit de
doden zou opstaan en aan de top van alle natiën der wereld zou geplaatst
worden. Een duidelijke heenwijzing naar de gedachte dat onze huidige bedeling
ongeveer tweeduizend jaar duurt.
Profetische gebeurtenissen
Wanneer we ons in de geest verplaatsen naar een tijdstip
dat eigenlijk heel dicht bij ligt, dan zouden we heel goed getuigen kunnen zijn
van wat er dan gaande zou zijn in de vele kerken die overal ter wereld door het
Christendom zijn gesticht, en zou de schrik ons dan niet om het hart slaan?
Vanuit die kathedralen, kerken en vergaderingsgebouwen
zullen de levende gelovigen opgenomen zijn om de Here Jezus tegemoet te gaan in
de lucht. Maar een uiterlijk godsdienstig vertoon, gesticht door de
christelijke belijders zal zich dan op aarde nog een tijdlang blijven handhaven
en massa's kerkleden zullen hun godsdienstige gewoonten blijven voortzetten in
geregelde bijeenkomsten. De kerkklokken zullen nog een tijdlang hun
uitnodigende klanken uitgieten over stad en dorp, en hoewel de ware gelovigen
dan afwezig zullen zijn zal er nog een vorm van godsdienstigheid vastgehouden
worden.
Erg rouwig zullen deze naamchristenen niet zijn wegens
het vertrek der gelovigen. Neen, deze "fundamentalisten", die de
Bijbel nog letterlijk geloofden, en er zelfs aan wilden gehoorzamen, werden al
lang als lastposten beschouwd. Dezer dagen las ik op de voorpagina van een
Protestants kerkblad de volgende hatelijke uitlating over zulke
Bijbelgelovigen. “Het fundamentalisme lijkt een rotsvaste zekerheid, maar het
is een splijtzwam, een kerkelijke terreur." (Dr C. J. Munter in
"Hervormd Nederland") Die Bijbelgelovigen zullen uit de kerken der
toekomst verdwenen zijn, maar de diensten gaan automatisch door. De kerkorgels
zullen nog prachtige koralen spelen, en de menigte zal, al is het niet van
harte, nog godsdienstige liederen meezingen, en ambtsdragers in toga zullen hun
prediken over sociale gerechtigheid en verzoening. Maar aan dit godsdienstige
voertuig zullen de remmen ontbreken, en zo'n voertuig heeft zo ongeveer honderd
percent kans ergens te pletter te lopen.
De verdwenen gelovigen waren tempels waarin de Heilige
Geest woonde, en hun invloed weerhoudt nu nog de volledige afval in de kerken.
Met de gelovigen zal dan de Heilige Geest van de aarde verdwenen zijn, en waar
nu vele gelovigen zich met verontwaardiging verzetten tegen de voortschrijdende
ontkerstening en de vooruitgang van ongerechtigheid, die zich in het geheim,
maar steeds meer openlijk zullen ontwikkelen, daar zullen na hun opname alle
morele en geestelijke remmen ontbreken en daalt het kerkelijk voertuig met
versnelde vaart de afgrond tegemoet. De evolutieleer bijvoorbeeld zal geen
bestrijders meer hebben en allerlei satanische leringen zullen de boventoon
voeren met tovenarij, bijgeloof, sterrenwichelarij die de massa in de greep van
sensatie kluisteren, zodat de Bijbel als een verouderd museumstuk niet meer aan
het woord komt. Inderdaad kunnen we het ernstige en verschrikkelijke
Bijbelwoord op die toekomstige toestand toepassen: "Daarom zal God hun een
kracht van dwaling zenden, zodat ze de leugen geloven, en allen geoordeeld
worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welbehagen hebben gehad in
de ongerechtigheid.” (2 Thess. 2:11,12) Op deze wijze zal deze vorm van
godsdienst, oorspronkelijk uit het Christendom afkomstig, meer en meer bereid
gemaakt worden om onder de macht van de antichrist te komen en eindelijk zal
men zelfs de vorm en het belijdenis van het Christendom en van den Vader en den
Zoon geheel prijsgeven. Deze afval zal zich ontwikkelen tot volledige
tegenstand tegen de drie manieren waarop God bereid was in relatie met de mens
te treden.
- Wat Gods relatie tot de van Adam afstammende
natuurlijke mens betreft, zal de mensheid de mens der zonde aanbidden, die aan
God gelijk wil zijn.
- Wat het Jodendom met de wet en tempeldienst betreft
zal de Joodse valse profeet, "de wetteloze", zich in de tempel te
Jeruzalem zetten als ware hij God.
- Wat de Christenheid betreft, daarop is 2 Thess.
1:11,12 van toepassing. De kerkleer wordt een kracht der dwaling, één grote
leugendienst van Satan. Inderdaad gaat de wereld der ongelovigen een
verschrikkelijke tijd toegemoet en we moeten toegeven dat we vlak bij deze tijd
zijn, als we zien wat er vandaag in deze wereld, in het Jodendom en in de
Christenheid gebeurt. Dit alles zal
leiden tot wat de Schrift "De grote verdrukking" noemt.
De komst van de antichrist neemt in de Schriften een
belangrijke plaats in. Voortzeggingen over hem vinden we al in de profetieën
van het Oude Testament, terwijl de Heer Jezus en de apostelen verschillende
malen van hem spreken. De uitdrukking "grote verdrukking" beschrijft
maar ten dele wat er dan zal gebeuren met de aardbewoners, zowel met de Joden
als met de andere volken. Laat ons eerst zien wat het voor de nu in de staat
Israël samenwonende Joden zal betekenen . De profeet Jeremia spreekt duidelijk
over Israël's verdrukking in zijn woorden: "Want zie, de dagen komen,
luidt het woord des Heren, dat Ik in het lot van mijn volk Israël en Juda een
keer breng, zegt de Here, en hen terugbreng in het land dat ik aan hun vaderen
gegeven heb, zodat zij het zullen bezitten. Dit nu zijn de woorden die de Here
over Israël en Juda gesproken heeft. Want zo zegt de Here, angstgeschrei horen
wij, schrik, en geen heil. Vraagt toch en ziet, of een man baart, waarom zie ik
iedere man met zijn handen aan zijn heupen als een barende en heeft elk gelaat
een lijkkleur gekregen? Wee, want groot is die dag, zonder weerga, een tijd van
benauwdheid is het voor Jakob, maar daaruit zal hij gered worden. Op dien dag
zal het gebeuren luidt het woord van den Here der heerscharen, dat Ik het juk
van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren, vreemden zullen hen
niet meer knechten, maar zij zullen den Here, hun God dienen en David hun
koning, dien ik hun verwekken zal." (Jeremia 30:3-9) In deze Bijbelplaats
vallen ons drie dingen op, allereerst, dat de Joden in de staat Israël zullen
samenwonen en dat over hen eerst onbeschrijfelijke onheilen zullen losbreken,
maar dat er op het einde de verlossing en zegen over hen zal komen. Deze grote
verdrukking zal plaats vinden na de opname van de Gemeente, maar vóór de komst
van Christus als Messias voor Israël. De profeet Daniël bevestigt deze feiten.
Nadat hij in hoofdstuk 11:36-45 over de wandaden van de antichrist heeft
gesproken, voegt hij daaraan toe: "Te dien tijde zal Michaël opstaan, de
grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat, en er zal een tijd van
grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot
op dien tijd toe. Maar in dien tijd zal uw volk ontkomen, al wie in het boek
geschreven wordt bevonden." (Dan. 12:1) Ook hier zien we, dat de in Israël
teruggekeerde Joden met de wandaden van de antichrist zullen te maken hebben,
waarna de Messias zal ingrijpen ten gunste van Zijn volk, maar dat vóór Zijn
komst de Joden door een tijd van benauwdheid moeten gaan, zoals nooit tevoren
mogelijk geacht is. De Heer Jezus heeft zelf ook over deze periode gesproken.
Als antwoord op de vraag van zijn discipelen: "Zeg ons, wanneer zullen
deze dingen zijn? En wat is het teken van uw komst en van de voleinding der
eeuw?", zei de Heer: "Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting,
waarvan gesproken is door Daniël de profeet, zult zien staan in de heilige
plaats (die leest, lette er op!) dat dan, die in Judea zijn, vluchten naar de
bergen, die op het dak is, kome niet af om de dingen uit zijn huis te halen, en
die op het veld is, kere niet terug om zijn kleed te halen. Doch wee de
zwangeren en zogenden in die dagen! En bidt, dat uw vlucht niet geschiede des
winters, noch op een sabbat. Want alsdan zal er een grote verdrukking zijn,
zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet weer
zijn zal. En indien die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden
worden, maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden."
(Matth. 24:15-22, Markus 13:14-20) Deze voorzeggingen van de Heer Jezus zijn
van het grootste belang, omdat ze de genoemde verdrukking in verband brengen
met wat Daniël over deze periode voorspelde, waardoor zowel de oorzaken als het
tijdstip van deze onheilen kunnen bepaald worden. (Dan. 12:11,9,27) Vergelijken
we de juist gelezen schriftgedeelten met andere, dan krijgen we een beeld van
wat er dan met de Joden zal gebeuren. Er zal dodelijke vijandschap en oorlog
tegen hen zijn van de zijde van Syrië met de ruggesteun van Rusland en zijn
satellieten, en tengevolge van deze dreiging zal Israël bondgenoten zoeken.
Amerika zal na het vertrek der gelovigen erg verzwakt
overblijven, terwijl Rome (het Verenigd Euopa) weer een wereldmacht zal worden.
Met het staatshoofd van het herstelde Romeinse rijk zullen de Joodse leiders,
die de meerderheid van hun volk vertegenwoordigen, een zevenjarig verbond
sluiten. "En hij (het Romeinse staatshoofd) zal een verbond sluiten met de
meerderheid (der Joden) voor één week (van zeven jaar), maar in de helft der week
zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden, en omdat zij (de Joden) de
afgoderij zullen toelaten, zal er een verwoester komen, en tot aan het einde,
dat vaststaat, zal verwoesting komen over de onheilsstad. (Jeruzalem)
"(Daniël 9:27, vertaald naar de Franse J.N. Darby vertaling) Van de
zeventig jaarweken, voorspeld door Daniël tot de komst van de Messias,
ontbreekt nog juist één jaarweek, deze periode van zeven jaar, zodat na drie en
een half jaar na de opname van de gemeente de antichrist zich in de tempel te
Jeruzalem zal neerzetten, om tot afgoderij te dwingen. (gruwel is afgod,
vleugel is bescherming, woest is geruineerd) Wel had het Romeinse staatshoofd
in dit zevenjarig verbond, beloofd dat hij Israël zou beschermen en vrije
uitoefening van hun godsdienst, de Oud-Testamentische tempeldienst,
garandeerde, maar samen met de Joodse antichrist, en onder de druk van Satan,
wordt dit verbond verbroken, zodat de dagelijkse offers moeten ophouden en
plaats maken voor de aanbidding van een afgodsbeeld dat in de tempel gezet zal
worden: "De mens der zonde, de zoon des verderfs, die zich verzet en
verheft tegen al wat God genoemd wordt of een voorwerp van verering is, zodat
hij zich in de tempel van God neerzet, om aan zichzelf te laten zien, dat hij
een god is." (Openb. 13:15) Over deze afgrijselijke praktijken sprak nu de
Heer Jezus in de reeds aangehaalde schriftplaats uit Mattheus 24. Het plaatsen
van deze gruwel of afgod met toestemming van de afvallige Leiders van het
Joodse Volk, over wie daarom verwoesting zou komen, wordt door de Heer Jezus
als sein aangegeven, waarop een gelovig joods overblijfsel, dat zich dan in
Jeruzalem zal bevinden, onmiddellijk zal moeten vluchten. Want er zal dan een
wet uitgevaardigd worden, die aan alle mensen ter wereld zal gebieden om het
afgodsbeeld dat in de plaats van God in de tempel zal gezet worden, te
aanbidden. En zulke afgoderij moet iedere gelovige Jood volgens de wet van
Mozes weigeren. Op dat ogenblik zal de grote verdrukken werkelijk beginnen. Er
zal een onvoorstelbare Jodenvervolging losbreken, speciaal tegen die gelovig
werden. Maar door Gods barmhartigheid zal deze verschrikkelijke slachting maar
een beperkte duur hebben, namelijk drie en een half jaar, de halve jaarweek van
Daniël. Deze tijd wordt in de Openbaring ook twee en veertig maanden of duizend
tweehonderd en zestig dagen genoemd, een periode die overeenkomt met het
getuigenis van twee knechten van God in Jeruzalem en met de oordelen die het
gevolg zijn van ongehoorzaamheid aan hun roep. Gedurende deze periode zal de
duivel, die intussen uit de hemel op de aarde zal verbannen zijn, zijn haat en
woede jegens het overblijfsel der Joden botvieren: "En de draak (Satan)
werd vertoornd op de vrouw (Israël) en hij ging op weg om krijg te voeren tegen
de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van
Jezus hebben." (Openb. 12:17) Satan, hier de draak genoemd, zal aan het
Romeinse staatshoofd, hier het eerste beest genoemd, zijn macht, troon en
energie verlenen, om samen met de Joodse antichrist alle geloof in God op aarde
uit te roeien. Daarom bestaat er in de wereldgeschiedenis niets dat met deze
tijd van gruwelen en bloedbaden kan vergeleken worden. Alles zal dan, van hoog
tot laag, satanisch zijn, duivels van oorsprong en uitwerking. Onnoemelijk
lijden en hopeloze ellende, zoals alleen de duivel die uitdenken en uitwerken
kan zal wereldwijd heersen. Gods wil met dez verdrukking zal zijn dat ze “zien
op Hem die zij doorstoken hebben”.
De grote verdrukking wordt ook in het zevende hoofdstuk
van de Openbaring genoemd. Eerst worden er honderd vier en veertig duizend uit
de twaalf stammen van Israël verzegeld, allen Joodse gelovigen. Maar daarna is
er sprake van een grote menigte die uit de andere volken tot geloof zullen
komen als gevolg van de prediking van het evangelie van het koninkrijk door
deze Joden. "Na deze zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen
kon, uit alle natie, en geslachten en volken en talen, staande voor de troon en
voor het Lam, bekleed met lange witte klederen, en palmtakken in hun handen. En
zij riepen uit met luide stem, zeggend: "Het heil zij onzen God, die op de
troon zit, en het Lam!" (Openb. 7:9-10) Een van de oudsten legt aan
Johannes dit tafereel uit. "Deze zijn het, die uit de grote verdrukking
komen, en zij hebben hun lange klederen gewassen, en ze wit gemaakt in het
bloed van het Lam." (Openb. 7:14) Daaruit begrijpen we, dat uit alle
andere volken als Israël, velen bekeerd zullen worden, maar dat ze door de
grote verdrukking moeten gaan. Want deze verdrukking zal alle landen der wereld
omvatten. Alles zal volledig antichristelijk en goddeloos zijn.
Welnu, zoals Henoch vóór de zondvloed werd opgenomen,
zoals Josia stierf vóórdat Gods oordelen uitbraken, zo heeft ook de levende
Gemeente van Christus de kostbare belofte, opgenomen te woden vóór de grote
verdrukking. "Omdat gij het bevel bewaard hebt om mij te blijven
verwachten, zal ook ik u bewaren vóór de ure der verzoeking die over de gehele
wereld komen zal om te verzoeken hen die op de aarde wonen." (Openb. 3:10)
De levende gemeente der ware gelovigen, nu verstrooid temidden van de kerken en
groepen, zal dus vóór de grote verdrukking opgenomen worden. Want het is deze
verdwijning der gelovigen die de afval zal bespoedigen en de weg banen voor de
antichrist. Alle ongelovigen zullen het beest aanbidden. (Openb. 13:5-8).
Sommigen hebben beweerd, dat het feit dat hier in de Openbaring over gelovigen
op aarde gesproken wordt, noodzakelijk inhield dat het de gemeente is die door
de grote verdrukking gaat, maar we bewijzen met de Schrift dat dit onjuist is.
De Schrift leert duidelijk dat de gemeente in de hemel zal opgenomen zijn vóór
deze periode van zevenjarige beproeving. In het negentiende hoofdstuk van de
Openbaring zien we de Heer Jezus uit de hemel verschijnen, om de legers van het
beest en de valse profeet te vernietigen (Openb. 19:11-21). Zoals ook in 2
Thess. 2 gezegd wordt, dat de Heer deze wetteloze zoon des verderfs, zal
vernietigen. "Dan zal de wetteloze zich openbaren, dien de Here Jezus zal
verdoen (of verteren) door de adem van zijn mond en machteloos zal maken door
Zijn verschijning als Hij komt."(v. 8). Nu lezen we ook in Colossenzen
3:4: "Wanneer Christus, ons leven zal geopenbaard worden, dan zult ook gij
met hem geopenbaard worden in heerlijkheid." Teruggaand naar Openbaring 19
bemerken we, dat de Heer Jezus niet alleen uit de hemel zal komen, maar
"De heirlegers die in den hemel zijn volgden hem op witte paarden, bekleed
met wit, rein fijn lijnwaard." (vers 14) Uit Openb. 19:8 lezen we, dat het
fijne lijnwaard de "gerechtigheden der heilige" zijn. Hieruit maken
we op, dat de heiligen, de gelovigen uit onze periode, tezamen met Christus uit
de hemel komen. Er is dus een tijdstip waarop ze eerst tot Hem naar de hemel
zijn gegaan. Welnu de verdeling van de Openbaring verklaart veel over dit
onderwerp, zie hoofdstuk 1 vers 19: 1) De dingen die ge gezien hebt, Jezus als
rechter over de Christenheid en haar geschiedenis. 2) De dingen die zijn, de
gemeente op aarde van de Pinksterdag tot de opname, historisch gezien. 3) De
dingen die daarna komen zullen, of de gerichten op aarde na de opname van de
gemeente. Daarom is het zo treffend, dat direct, nadat Laodicea uit de mond van
de Heer gespuwd wordt, ons een blik in de hemel vergund wordt, en wat zien we
daar? Welnu, de heiligen van de Gemeente. Vier en twintig oudsten stellen deze
verheerlijkte gelovigen in de hemel voor. Hun opname wordt in 1 Thess. 4:16 en
1 Cor. 15:52 genoemd en heeft, als het ware, plaats, tussen het derde en vierde
hoofdstuk van de Openbaring. Hun kronen bewijzen dat ze koningen zijn en hun
lange klederen, dat ze priesters zijn, en dat zijn juist de twee
karaktertrekken van ONS, gelovigen van vandaag. "Hem, die ons liefheeft,
en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en ONS gemaakt heeft tot
koningen tot priesters voor zijn God en Vader, hem zij de heerlijkheid en de
kracht tot in alle eeuwigheid! Amen. (Openb. 1:6) Het is duidelijk dat op
hetzelfde ogenblik waarop deze heiligen in den hemel zijn, er op aarde de
144.000 en de ontelbare schare der verlosten zullen zijn. Het zijn dus geheel
van elkaar verschillende groepen. Deze menige uit de volken, die na de opname
van de gemeente op aarde zullen gered worden, hadden nooit tot de belijdende
Christenheid behoord, ze worden door de grote verdrukking heen gevoerd naar de
zegeningen van het Koninkrijk van Christus, maar ze behoren niet tot de
Gemeente. De Heer Jezus bedoelde duidelijk Joodse gelovigen als Hij in Matth.
24 spreekt over hen die in Judea zijn. Deze moeten dan bidden, dat hun vlucht
niet op een sabbat valt, woorden die alleen maar zin hebben voor Joden onder de
wet. Ook de waarschuwing tegen valse Christenen heeft voor Christenen, die
geloven dat Jezus aan Gods rechterhand zit, geen zin.
De verwachting van de Gemeente is een blijde hoop, niet
verduisterd door de angst voor de grote verdrukking. Met blijdschap verwachten
we Hem, en deze hoop bemoedigt, sterkt en heiligt ons. (1 Joh. 3:3) Gelovigen
komen nooit in enig toekomstig oordeel. (1 Thess. 1:9, 10, Joh. 5:24). Na de
grote verdrukking komt de Heer MET de Zijnen uit de hemel, om Zijn rijk op te
richten. Machtige natuurverschijnselen zullen deze verschijning der
heerlijkheid van onze grote God en Heiland Jezus Christus vergezellen. De
wereld die Hem kruisigde, zal in wanhoop en paniek weeklagen, zoals de
goddelozen in Noach's dagen, toen de wateren stegen en allen verzwolgen. Vliedt
NU naar het kruis, om van die komende toorn verlost te zijn. "Geloof in de
Heer Jezus en gij zult behouden worden."
“Bijbelcursus Oudewater”
Paul Christiaanse
Herman de Manstraat 8
NL-3421 HX Oudewater
Tel. 0348 562108
e-mail:paulchristiaanse@planet.nl